Hoofdstukken

60. De aarde in kaart brengen

Hoe schoon de lucht is, dat kun je natuurlijk gewoon meten. Bijvoorbeeld door duizenden mensen de straat op te sturen met een speciaal meetinstrumentje en ze allemaal op hetzelfde moment een meting te laten verrichten. Een prima methode, maar vanuit de ruimte zie je veel meer. Om die reden is er in Nederland jarenlang hard gewerkt aan Tropomi (het TROPOspheric Monitoring Instrument). Tropomi is een meetinstrument dat licht opvangt dat wordt weerkaatst door de dampkring.

Door dat weerkaatste licht te vergelijken met dat van de zon, kan Tropomi precies zien waar en hoe erg de lucht vervuild is. Zo precies zelfs, dat het meetinstrument de hoeveelheid luchtvervuiling per stad in kaart kan brengen! Tropomi vliegt in oktober 2017 naar de ruimte. Dat doet hij aan boord van de satelliet Sentinel-5 Precursor. Dat is een aardobservatiesatelliet die, zoals de naam al doet vermoeden, de aarde vanaf grote hoogte in de gaten houdt.

Naar de aarde kijken
Dit soort kunstmanen observeert en verzamelt gegevens over onze planeet. Over luchtvervuiling bijvoorbeeld, maar ook over de dikte van het ijs op de poolkappen, de hoogte van de zeespiegel en het weer. Er zijn zelfs satellieten die vanuit de ruimte het grondniveau in de provincie Groningen bekijken, om te speuren naar eventuele schade die ontstaat als gevolg van gaswinning. Weer andere satellieten houden de dikte van onze dijken in de gaten, zodat we op tijd gewaarschuwd worden voor eventuele overstromingen.

Aardobservatiesatellieten gaan al heel lang mee in de ruimtevaart. Al in 1960 vliegt de eerste observatiesatelliet naar de ruimte. Het betreft de weersatelliet TIROS-1, die foto’s maakt van de aarde en deze naar de Amerikaanse variant van het KNMI stuurt. Dat weerbureau gebruikt die eerste observatiesatellietfoto’s om de bewolking in de smiezen te houden.

De nieuwste generatie aardobservatiesatellieten is een stuk geavanceerder. Satellieten maken tegenwoordig onder andere gebruik van radartechnieken en lichtsensoren. Zo ook de aardobservatie binnen het Europese Copernicus-programma. Bij dat zesdelige programma worden satellieten in een baan om de aarde gebracht, die elk een eigen taak hebben. Zo is er een satelliet die radarbeelden maakt van het land en de oceanen, schiet een andere satelliet hogeresolutiefoto’s van de grond, terwijl een derde satelliet uitgerust is met een hypergevoelige hoogtemeter.

Polaire baan
Ook Sentinel-5 Precursor maakt deel uit van Copernicus. Sinds die satelliet zich in een baan om de aarde bevindt, vliegt hij een andere route dan het gros van de kunstmanen dat om onze planeet cirkelt. Omdat aardobservatiesatellieten de hele planeet in kaart moeten kunnen brengen, zweven ze in een zogenoemde polaire baan. Ze draaien dus niet horizontaal met de aarde mee, maar vliegen van de noordpool naar de zuidpool en aan de andere kant van onze planeet weer terug.

Ieder rondje duurt zo’n 100 minuten. Omdat de aarde onder de observatiesatelliet om zijn as draait, ziet de satelliet bij elk rondje een ander deel van onze planeet. Dat levert aan het eind van de dag een complete kaart van de aarde op.

Beeld: ESA

Steun Ruimtevaartverhalen.nl

Vond je dit een interessant ruimtevaartverhaal? Via de module hieronder kun je Ruimtevaartverhalen steunen. Selecteer het bedrag dat je wil doneren, klik op ‘Doneer’ en doorloop de stappen die volgen.

 

Totaal: € -