Hoofdstukken

56. Spacebeesten

Ruimtehond Laika is in 1957 dan weliswaar het eerste dier in een baan om de aarde, de eerste dierlijke ruimtevaarder is ze allerminst. Die eer komt toe aan een groepje naamloze fruitvliegjes. Tien jaar voor Laika’s missie worden ze door de Amerikanen met eenV-2-raket naar de ruimte geschoten. Na 3 minuten en 10 seconden bereiken de fruitvliegjes een hoogte van 109 kilometer en uiteindelijk zweven ze met een parachute weer terug naar het aardoppervlak.

In tegenstelling tot Laika (zie Van straathond naar ruimteheld) overleven deze eerste ruimtegangers hun reis wél. Dat moest ook wel, aangezien dat onderdeel is van het experiment. De wetenschappers die het onderzoek leiden, willen zien welk effect ruimtestraling heeft op levende wezens. Niemand weet nog in die tijd of aardbewoners buiten de dampkring kunnen overleven.

Dieren met een missie
Vooral in die vroege jaren van de ruimtevaart worden dieren veelal ingezet als proefkonijnen. Na de naamloze fruitvliegjes volgen er nog allerlei verschillende beesten. Van apen en honden tot muizen, kikkers, cavia’s, ratten, katten, kevers, schildpadden, vissen, spinnen, salamanders, krekels, slakken, zee-egels, mieren, bijen, motten en kakkerlakken.

Geen enkel dier gaat zomaar naar de ruimte. Allemaal hebben ze hun eigen ‘missie’. Maar in tegenstelling tot de vroegste spacebeesten zijn hedendaagse ruimtedieren niet per se crash test dummies. Beesten die aan boord logeren, doen dat vaak omdat wetenschappers willen zien hoe ze zich aanpassen aan gewichtloosheid.

Zo is de belangrijkste opdracht van ruimtespinnen Anita en Arabella in 1973 het maken van een spinnenweb. De eerste dagen gaat dat nog moeizaam. Maar na een paar dagen spinnen de diertjes webben die aardig lijken op die ze op aarde maken. Dat laat zien dat spinnen zich blijkbaar redelijk aanpassen aan het leven in de ruimte.

Op het eerste gezicht lijkt zulk onderzoek met dieren weinig zinvol. Maar schijn bedriegt. Het bestuderen van kleine proefdieren in de ruimte kan ons van alles leren, bijvoorbeeld over hoe spieren zich in de ruimte ontwikkelen. Door het gebrek aan zwaartekracht worden die in de ruimte op den duur zwakker. Door de spieren van proefdieren te bestuderen, kunnen wetenschappers sneller nieuwe kennis opdoen op dit gebied.

Ouder worden dankzij de ruimte
Voor een soortgelijk onderzoek neemt ESA-astronaut André Kuipers tijdens zijn eerste missie in 2004 wormen mee naar het ISS. Japanse wetenschappers wilden weten of ruimtevaart invloed heeft op verouderingsprocessen in C. elegans. Dat is een worm die genetisch best veel op de mens lijkt.

Door het onderzoek leren de wetenschappers dat een gen dat bij deze wormen veroudering veroorzaakt in de ruimte minder actief is. De ruimtewormen van André Kuipers worden tijdens zijn missie dus ouder dan normaal. Door het gen uit te schakelen bij aardse wormen, kunnen ook zij langer leven.

De wormen van Kuipers keren aan het eind van het experiment terug naar aarde. Dat geldt tegenwoordig voor de meeste spacebeesten. Maar niet voor alle. Tijdens zijn ruimtevlucht in 1985 laat de Nederlandse astronaut Wubbo Ockels bijvoorbeeld één van 500 fruitvliegjes aan boord ontsnappen. ‘Free Willie’, zoals het vliegje daarna genoemd wordt, is nooit meer teruggezien.

Beeld: NASA

Steun Ruimtevaartverhalen.nl

Vond je dit een interessant ruimtevaartverhaal? Via de module hieronder kun je Ruimtevaartverhalen steunen. Selecteer het bedrag dat je wil doneren, klik op ‘Doneer’ en doorloop de stappen die volgen.

 

Totaal: € -