Hoofdstukken

2. Staren naar de sterren

Het idee dat onze planeet niet meer is dan een minuscuul stipje in de oneindige ruimte, is pas een paar honderd jaar oud. Tot zo’n 450 jaar geleden dacht de mensheid nog dat de aarde het middelpunt van het universum was en dat alle andere zichtbare hemellichamen daar omheen draaiden. Dat gold niet alleen voor de zon en de maan, maar ook voor de planeten die met het blote oog gespot kunnen worden: Venus, Mars, Mercurius, Jupiter en Saturnus.

De theorie dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt van het universum is, wordt voor het eerst uitgedacht door de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus, die er in 1543 over publiceert. Maar pas wanneer de Italiaanse natuurkundige Galileo Galilei met een telescoop naar de sterrenhemel staart, wordt de theorie van het zogenoemde heliocentrisch wereldbeeld bevestigd.

Galileo ontdekt daarnaast dat de maan niet perfect rond is maar kraters heeft, dat de planeet Jupiter ook manen heeft (67 stuks, al ziet Galileo er nog maar vier) en dat de Melkweg bestaat uit een verzameling sterren.

Hollandse kijker
De telescoop waarmee Galileo in 1609 als eerste naar de hemel staart, bouwt hij gewoon zelf. Maar hij bedenkt hem niet zomaar uit het niets! Een jaar voor zijn ontdekkingen hoort de Italiaan over ‘de Hollandse kijker’, die hij nabouwt en verbetert. Het originele exemplaar van die kijker wordt gebouwd in het Zeeuwse Middelburg. Brillenmaker en lenzenslijper Hans Lippershey is in 1608 de eerste die patent aanvraagt voor zijn ‘buyse waarmede men verre kan sien’. Die kijker noemen we tegenwoordig een refractortelescoop.

Een refractortelescoop werkt op dezelfde manier als een verrekijker. Tijdens de bouw van zijn kijker neemt brillenslijper Lippershey een langwerpige ronde buis met twee stukken gebogen glas: voorin een groot stuk en verder naar achter een kleiner stuk. Licht dat aan de voorkant de buis binnenkomt wordt afgebogen en komt verderop in de buis weer samen. Dat beeld wordt bekeken door de tweede lens, dat dienst doet als een loep.

Met de telescoop die Lippershey bouwt kan vanuit Den Haag de kerktoren in Delft worden afgelezen. Galileo borduurt daarop voort met zijn eigen telescoop. Door te experimenteren met lenzen weet hij uiteindelijk telescopen te bouwen waarmee hij dertig keer verder kan kijken dan met het blote oog.

Nog scherper beeld
Het idee achter deze eerste telescopen is nog altijd de basis van de sterrenkijkers zoals we die nu kennen. Al werken veel van die telescopen net wat anders. Zestig jaar nadat Lippershey zijn kijker patenteert, bouwt zwaartekrachtontdekker Isaac Newton een telescoop die gebruikmaakt van spiegels in plaats van lenzen.

Dankzij de spiegels hoeft de telescoopbuis minder lang te zijn en is het beeld veel scherper. Maar de ronde spiegels in de telescoop van Newton zorgen ook voor afwijkingen in het beeld. Telescopen die een combinatie van de twee technieken gebruiken (de zogenoemde Schmidt-Cassegrain-telescopen), hebben die afwijking niet. En dat zorgt voor nóg scherpere beelden van de ruimte.

Beeld: Pixabay

Steun Ruimtevaartverhalen.nl

Vond je dit een interessant ruimtevaartverhaal? Via de module hieronder kun je Ruimtevaartverhalen steunen. Selecteer het bedrag dat je wil doneren, klik op ‘Doneer’ en doorloop de stappen die volgen.

 

Totaal: € -